Scholekster

Haematopus ostralegus

Scholekster

Habitatwensen van de scholekster

Scholeksters komen vooral voor op wadden, duinen en weilanden. Ze houden van grote open gebieden. Scholeksters leven vooral van wormen en schelpdieren. Ze komen ook veel voor in polders waar ze van wormen en emelten leven. Scholeksters komen steeds vaker in de stad voor. Hier broedden ze graag op platte grinddaken. Ze moeten hier oppassen voor meerdere soorten meeuwen en kraaiachtigen. Het is daarom belangrijk dat er voldoende schuilplaatsen zijn, zoals afdakjes, pallets of kleine rioolbuizen.

Checklist

Een grinddak of bruin dak om op te broeden.

(Kruidenrijke) graslandjes nabij de verblijfplaatsen.

Schuilmogelijkheden en veiligheid voor eieren en jongen.

Water en grasland nabij.

Bronnen: Vogelbescherming, Sovon, WUR, Naturalis

Verblijf en voortplanting

Scholeksters komen vooral voor op wadden, duinen en weilanden. Ze houden van grote open gebieden.

Door de voedselafname in waddengebied trekken scholeksters steeds vaker naar stedelijk gebied waar ze broeden op platte grinddaken of palen.

Bruin dak voor dak- en holenbroeders

Bruine daken dragen bij aan de stedelijke biodiversiteit. Zo vormen ze een geschikte broedbiotoop voor de scholekster. 

Een aantal bruine daken op verschillende gebouwen bij elkaar vergroot de mogelijkheden voor vogels. Bruine daken bestaan uit substraat van vermalen steen van 25 mm tot gruis. Door dit substraat aan te brengen in dieptes variërend van 5 tot 15 centimeter ontstaat een grotere verscheidenheid aan planten en bodemdieren. Tussen de steenslag worden enkele grotere stenen en stukken hout geplaatst. Voor het aangezicht kan men kiezen uit mooi natuursteen en een patroon van keurig gezaagde boomstammen.

Op de allereerste bruine daken in Londen lagen bouwpuin en oude bielzen. Overweeg dus om een deel van het vrijkomende slooppuin in te zetten als dakbedekking: circulair materiaalgebruik! Net als bij groene daken is het noodzakelijk een wortelwerende laag en drainage aan te leggen. 

Voedsel

Scholeksters leven vooral van wormen en schelpdieren. Aan de kust worden mosselen, kokkels en pieren veel gegeten, op de graslanden staan wormen, emelten en insecten op het menu.

Voor de weilanden is het belangrijk dat het waterpeil hoog staat, dit maakt het makkelijk voor de scholeksters om wormen in de grond te zoeken. Bij een droge harde grond komen de snavels niet in de grond.

Veiligheid

In de stad moeten scholeksterkuikens opletten voor meerdere soorten meeuwen, zwarte kraaien, eksters en andere soorten vogels. Buiten stedelijk gebied jagen predators zoals vossen, katten en hermelijnen op scholeksters.

Het is dus belangrijk dat er voldoende schuilmogelijkheden aanwezig zijn, zoals kleine rioolbuizen, pallets of een ander afdakje op het dak. Dan kunnen de kuikens schuilen voor hitte en regen, maar zich ook verschuilen voor roofvogels, kraaien en meeuwen. 

Dicht open regenpijpen of andere afvoeren af met een boldraadrooster of een stukje (kippen)gaas. Zo voorkom je dat jongen erin vallen. Plaats een dakrand of hekje op het dak, zodat de jongen pas weg kunnen als ze (een beetje) kunnen vliegen.

Verbinding door meerdere bruine daken

Een aantal bruine daken op verschillende gebouwen bij elkaar vergroot de mogelijkheden voor vogels. Voor voldoende voedsel in de omgeving is het belangrijk dat de daken vlakbij de kust of bij graslanden in de buurt liggen.

Natuurinclusieve maatregelen voor de egel

Een strook begroeide (openbare) ruimte die gelegen is voor een gebouw en onderhouden wordt door de bewoner of eigenaar van het pand of private tuinen, begroeid met meerjarige inheemse planten en/of houtige gewassen.

Aanplant van hagen, al dan niet ter vervanging van hekwerk of een schutting, met liguster, spaanse aak, zuurbes, hulst, beuk en/of haagbeuk. Of de plaatsing van gaaswerk met inheemse klimplanten, zoals klimop en vuurdoorn. Bij voorkeur een mix van twee of meer plantensoorten.

Om gebieden aan elkaar te verbinden kunnen faunapassages gerealiseerd worden over of onder wegen door. Zorg daarnaast voor openingen tussen tuinen door groene tuinafscheidingen zonder hekwerk of egelpassages in schuttingen.

Aanplanten of behouden van solitaire bomen of clusters inheemse bomen, zoals zomereik, wintereik, linde, berk, wilg, zwarte els, beuk, haagbeuk, veldiep. Of de aanplant van een boomgaard met fruitbomen (appel, kers, peer, pruim en/of walnoot).

Realiseren van een poel of vijver beplant met inheemse oeverplanten: gele lis, moerasandoorn, grote kattenstaart, moerasspirea, echte valeriaan, grote egelskop en inheemse waterplanten: witte waterlelie, gele plomp, watergentiaan, krabbenscheer.

Een cluster van inheemse struiken.

Inzaaien van bloemrijk grasland met inheems bloemenmengsel, grassen met kruidachtige soorten en overblijvende bloeiende vegetatie. Of wanneer er bloemrijk grasland nabij is: niet vooraf inzaaien, maar de natuur in de omgeving haar werk laten doen. Vervolgens overgaan op ecologisch beheer.

Realiseren van ruige groene randen voor een hoogwaardige  groene dooradering van soorten als bijvoet (droog) en riet (nat), waar deze nu van lage ecologische kwaliteit is (bijvoorbeeld gazon).

Realiseren van overhoekjes of stroken ruigten en de natuur in de omgeving haar werk laten doen. Vervolgens overgaan op ecologisch beheer.