Een deel van de soorten die je in de bebouwde omgeving vindt, gebruikt gebouwen als onderdeel van hun natuurlijke habitat. Deze soorten maken onder andere gebruik van dakpannen, spouwmuren en overstekken voor hun nest, overwinter-, paar- of rust verblijf. Dit gebeurt vaak in oudere gebouwen die in tegenstelling tot nieuwbouw veel spleten en kieren hebben. Tegenwoordig worden gebouwen steeds meer afgesloten en dus dreigen deze diersoorten hun plek te verliezen. Om het leefgebied van deze soorten te behouden, moet er daarom in de architectuur rekening mee worden gehouden.
Verblijfplaatsen integreren in de architectuur
Dit kan door middel van veelvoorkomende opties zoals speciale stenen of kasten. Maar de voorkeur gaat uit naar het integreren van verblijfplaatsen in de architectuur. Dit kan op veel verschillende manieren, en de mogelijke oplossingen zijn ook sterk afhankelijk van de soorten die je wilt faciliteren. Maar met creativiteit en het vroegtijdig meenemen van deze ambitie kunnen architectuur en ecologie heel goed samengaan. Een aantal relevante gebouwbewonende soorten zijn de huismus, gierzwaluw, gewone dwergvleermuis, huiszwaluw en zwarte roodstaart.
Verblijfplaatsen voor niet-gebouwbewonende soorten
Er zijn ook veel soorten die wel verblijfplaatsen nodig hebben maar zich liever niet in gebouwen vestigen. Als verblijfplaatsen voor deze soorten kun je onder andere denken aan ringslangenhopen, egelhuisjes en nestkasten in bomen. Hiervoor verwijzen we ook graag door naar de soortspecifieke pagina’s. Een aantal soorten met verblijven in de buitenruimte zijn ringslangen, egels, bijen, uilen en koolmezen.