In een struweel, ook struikgewas genoemd, zijn struiken dominant. Net als bij een bosje, bestaat een struweel bij voorkeur uit inheemse soorten en uit stekelige en bes-dragende struiken. Struiken met bessen bloeien in het voorjaar, waardoor ze insecten aantrekken. In het najaar vormen de bessen een voedselbron voor vogels en kleine zoogdieren.
De structuur van een struweel is doorgaans dicht en vrijwel ondoordringbaar. Dat maakt het aantrekkelijk voor kleine zoogdieren en broedvogels, zelfs al gaat het om een struweel met een kleine omvang.
Verhoging natuurwaarde
De natuurwaarde van een struweel wordt hoger wanneer deze aansluit op andere struwelen of op een bos(je). Dat komt omdat het struweel dan een verbindingszone vormt, en diersoorten zich makkelijker door een gebied kunnen verplaatsen. Sluit een struweel aan op een watergang, of gaat die aan de zon-beschenen kant geleidelijk over in een kruidenrijk grasland, dan is dat extra aantrekkelijk voor insecten zoals vlinders, bijen en zweefvliegen: insecten kunnen er schuilen en zich opwarmen. Een struweel dat voldoet aan bovengenoemde onderdelen, en waar ook verspreid wat hogere bomen staan, heeft de hoogste waarde voor natuur.
Richtlijnen
Afmetingen
Een struweel van 5 bij 10 meter voldoet al aan de basiseisen voor de minder kritische soorten. Een struweel met een grotere omvang (in lengte en breedte) is uiteraard voor meer soorten interessant en heeft een hogere natuurwaarde