Poelen
Veel soorten, zoals de boomkikker, heikikker, kamsalamander en insecten profiteren van een natuurlijke poel door de specifieke combinatie van water en groen, en kunnen zich in het water voortplanten. Het stilstaande water is ook een drinkplaats voor vogels.
Poelen zijn geïsoleerd gelegen waterpartijen (niet aangesloten op open water) die in principe het hele jaar door waterhoudend zijn. Door de geïsoleerde ligging blijven poelen vrij van vissen en vormen daarom een veilige opgroeiplek voor amfibieën, watersalamanders en libellen. Daarnaast zijn ze leefgebied voor allerlei water- en oeverplanten. Geef de poel een grillige vorm. Een grillige oeverlijn zorgt voor een langere grenslijn tussen land en water, wat gunstig is voor planten en dieren. Het is van belang dat de poel wordt gevoed door schoon water uit de grond of middels neerslag. Bij voorkeur ligt een poel onder de grondwaterstand, al is dit afhankelijk van de diepte van de grondwaterstand. Een alternatief is de aanvoer van hemelwater, waarbij een kleilaag in de bodem zorgt dat het hemelwater langer wordt vastgehouden. Een zonnige ligging is voor veel diersoorten belangrijk.
De waterdiepte moet minstens 50 cm zijn en verschillende dieptes zorgen voor de nodige variatie. Een dieper punt van 80-120 cm zorgt ervoor dat de poel in de winter niet volledig dichtvriest.
Hoe flauwer en breder de poel is, hoe meer soortendiversiteit er mogelijk is. De talud van de noordoever dient zo flauw mogelijk gemaakt te worden (bij voorkeur 1:8 of 1:10). Bij voorkeur ligt het diepste punt op minimaal 50 cm onder de laagste grondwaterstand, zodat de poel wordt gevoed met grondwater. Dit is afhankelijk van de diepteligging van de grondwaterstand en de kwaliteit van het grondwater, voeding vanuit neerslag is een geschikt alternatief.
De beplanting in de poel kan een zuiverende werking hebben wanneer er bijvoorbeeld lisdodde of riet wordt aangeplant. Dit heeft daarmee een positief effect op de waterkwaliteit. Verder kunnen verschillende soorten planten geleidelijk in elkaar overgaan. Van waterplanten, naar planten voor amfibieën, naar bloemrijk grasland op de oevers. Zorg dat de grond niet te rijk is om een monocultuur van riet te voorkomen.
Zet geen vissen uit in de poel!
Tip: let ook op de omliggende elementen naast een natuurlijke oever: het is bijvoorbeeld niet wenselijk om een goed toegankelijke oever te maken nabij een drukke weg.