De watervleermuis is een boombewonende soort die sterk verbonden is met waterrijke omgevingen. Overdag verblijft deze vleermuis in beschutte bomen, terwijl ze ’s nachts jaagt boven open wateroppervlakken.
Verblijfplaats en voortplanting
Watervleermuizen zoeken zomers hun verblijfplaatsen in verschillende oude bomen met holtes (zomereik of beuk), waar ze kunnen rusten en zich voortplanten. Een aanbod van 70 volgroeide bomen nabij elkaar is het streef aantal. Zolders van oude panden kunnen ook als schuilplaats dienen, maar dit komt minder vaak voor. Voor het behoud van de soort is het belangrijk oude bomen in waterrijke gebieden te beschermen. Daarnaast kunnen vleermuiskasten als alternatief worden gebruikt wanneer natuurlijke schuilplaatsen schaars zijn. in de winter worden vorstvrije maar vochtige ruimten opgezocht in ondergrondse ruimten.
Voedsel
Watervleermuizen foerageren voornamelijk boven wateroppervlakken, zoals vijvers, beken en rivieren. Ze jagen op insecten, vooral op het wateroppervlak, zoals dansmuggen en schietmotten. Het is cruciaal dat er beschut en ongestoord water aanwezig is met een rijke oevervegetatie om voldoende voedsel te bieden voor deze vleermuizen.
Veiligheid
Watervleermuizen hebben rustige, beschutte gebieden nodig om zich te kunnen schuilen en zich veilig te voelen. Dit betekent dat ze gebieden zonder verstoring of kunstlicht nodig hebben om te rusten en voort te planten. Daarnaast moeten er ook veilige schuilplekken zijn om bescherming te bieden tegen roofdieren zoals uilen en marters.
Verbinding
Om veilig tussen verblijfplaatsen en jachtgebieden te kunnen reizen, hebben watervleermuizen beschutte en aaneengesloten verbindingsroutes nodig, zoals boomrijen en oevers. Een onderbreking is maximaal 30 meter per 200 meter aan vliegroute, indien deze niet bebouwd is en onverlicht aan één zijde.