Habitatwensen
De ringslang is de algemeenste slangensoort van Nederland, die sterk is gebonden aan water. Zowel in natuurlijke moerassen als groene stedelijke omgeving is de ringslang te vinden. Het leefgebied beslaat ongeveer 15 hectare, met vegetatierijke wateren, rietkragen, natuurvriendelijke oevers, grasruigten en struwelen.
In water is het belangrijk dat er een strook met oeverbeplanting aanwezig is. Als er geen oeverplanten aanwezig zijn, zijn de amfibieën afwezig en die dienen juist als voedsel. Een deel van de poel moet zodanig diep zijn dat droogvallen in het voorjaar en de zomer wordt voorkomen, zowel voor de slang als zijn voedsel. Meestal is ongeveer 1,5 meter voldoende. Aan de noordzijde moet de oever een flauw talud hebben (ook onderwater), zodat daar het water snel opgewarmd kan worden door de zon; deze soort is een echte zonaanbidder. Daarnaast leeft de soort ook in sloten met bermen en veel riet, waar de slang in het water en riet kan foerageren en in de berm kan gaan zonnen.
Verblijfplaatsen
De soort legt zijn eieren het liefst in broeihopen. Dit zijn stapels takken en ander dood plantenmateriaal wat door de ontbinding snel opwarmt en daardoor de eieren ’bebroedt’. Verder houdt de slang van open stukjes om te kunnen zonnen maar ook voldoende vegetatie om zich bij onraad in te verstoppen en om tussen te foerageren (waterplanten). De ringslaap overwintert op vorstvrije en droge plekken, zoals holen, steenbestortingen, speciale kelders of struweel.
Verbindingen
De vrouwtjes van de ringslang leggen relatief korte afstanden af van 50 tot 300 meter voor het afzetten van eieren. Een geschikte verbinding is de combinatie van rijk begroeide flauwe oevers, open of stenige oppervlakten om op te warmen en om de 300 meter kleinere ondiepe wateren en broeihopen. Ook dragen faunapassages sterk bij aan de verplaatsingsmogelijkheden, zoals faunatunnels en doorlopende oevers.