Habitatwensen
De putter, wordt niet voor niks ook distelvink genoemd. Het menu bestaat vooral uit zaden van ruigtekruiden die groeien op schralere grond. Deze voorkeur leidt tot een habitat waar het soortenrijkdom aan kruiden hoog is. En waar beheer zo veel mogelijk uitblijft waardoor planten langer de tijd krijgen te ontwikkelen, ook in de winter. In de winter kunnen putters worden waargenomen in grotere wintergroepen, met andere vinkachtige. Ze worden vooral aangetroffen op het halfopen platteland maar ook in buitenwijken van steden.
Verblijfplaats en voortplanting
Het nest wordt meestal lager dan 10 meter van de grond gemaakt, verstopt tussen bladeren in de dunne twijgen van bomen en struiken. De vogel broedt van april tot begin augustus, waarin twee legsels wordt gelegd. Putters zijn monogaam, soms broeden enkele paartjes bij elkaar in de buurt, maar vaker zijn putters territoriaal. Het broedterritorium is klein met 250 m2.
Voedsel
Putters eten jaarrond vooral rijpe en onrijpe zaden van ruderale kruiden als distelsoorten (akkerdistel en kaardebol), teunisbloemen, zonnebloemen en paardenbloemen. In de winter ook veel zaad van de els. Daarnaast staan ook insecten op het menu en worden af en toe voedertafels bezocht. Jonge putters krijgen vooral insecten van hun ouders. In de winter zijn elzen belangrijk als voedselbron.
Veiligheid
Putters leven in een halfopen landschap, als bescherming tegen predatie is de nabijheid van struwelen, houtwallen, boomgaarden of laanbomen van belang. Ook ruige groenstroken langs akkers, groen op industrieterreinen en langs dijken zijn erg waardevol.