De meervleermuis is een grote vleermuissoort die sterk gebonden is aan waterrijke omgevingen. Overdag verblijft deze soort op beschutte locaties zoals kerkzolders of spouwmuren, terwijl ze ’s nachts jaagt boven open wateroppervlakken. Ze zijn afhankelijk van een netwerk van geschikte verblijfplaatsen en jachtgebieden die met elkaar in verbinding staan via veilige vliegroutes.
Verblijfplaats en voortplanting
De meervleermuis is relatief kritisch als het gaat om een geschikte verblijfplaats. De belangrijkste factor voor het beschermen van deze soort is dan ook om bestaande verblijfplaatsen te behouden. De meervleermuis lijkt een voorkeur te hebben voor de spouw die bereikbaar is via ruime invliegopening en in verbinding staat met de dakconstructie. Het exact nabootsen van bestaande ruimten en invliegopeningen (spouw en dakruimten) lijkt tot op heden het meest succesvolle maatregel te zijn, als behoud niet mogelijk is. Meervleermuizen vormen grote (kraam)groepen. Dit vraagt binnen het gebouw om een grotere aaneengesloten ruimte.
In de zomer verblijven meervleermuizen vrijwel altijd op beschutte plekken zoals kerkzolders, spouwmuren en onder dakpannen. Voor zover we weten overwinteren meervleermuizen in Nederland in mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken en kelders. Ook worden af en toe dieren waargenomen in gebouwen.
Paarverblijven, zoals vleermuiskasten en woonhuizen, bevinden zich vaak langs de trekroutes tussen zomer- en winterverblijven. Om geschikte verblijfplaatsen te behouden, is het belangrijk dat gebouwen met bekende kolonies niet worden afgesloten en dat alternatieve schuilplaatsen zoals vleermuiskasten worden aangeboden.
Voedsel
De meervleermuis jaagt in een snelle rechtlijnige vlucht in lange trajecten vlak boven groot open water en langs oevers van plassen, meren, kanalen, rivieren en vaarten. Ze jagen vooral op dansmuggen en schietmotten die op of vlak boven het wateroppervlak zitten. Ook foerageren ze langs oevers en vegetatieranden waar veel insecten aanwezig zijn. De aanwezigheid van schoon, open water met voldoende insecten is daarom cruciaal voor hun voedselvoorziening.
Veiligheid
De meervleermuis is gevoelig voor verstoring en vermijdt gebieden met veel kunstlicht of menselijke activiteit. Rustige, donkere verblijfplaatsen zijn essentieel voor zowel zomer- als winterverblijven. Bescherming tegen roofdieren zoals uilen en marters speelt ook een rol, bijvoorbeeld door verblijven moeilijk toegankelijk te maken voor predatoren.
Verbinding
Meervleermuizen volgen vaste beschutte vliegroutes naar het jachtgebied binnen een straal van ongeveer 6 km van de verblijfplaats. Deze routes bestaan vaak uit kanalen, beken, vaarten, brede sloten, bomenrijen, houtwallen, dijken en kustlijnen. Bebouwing, infrastructuur en verlichting kunnen barrières vormen en moeten daarom zoveel mogelijk worden beperkt. Een goed verbonden landschap met beschutte vliegwegen draagt bij aan een duurzaam leefgebied voor de soort. In de winter trekt de soort wel tot 350 km naar een geschikt winterverblijf, maar verblijft in de winter ook tot enkele kilometers van het zomerverblijf.