De laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, waarbij vooral de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen belangrijk is. Ze kunnen tot wel 15 km van hun verblijfplaats jagen. Meestal vangen ze insecten uit de lucht, maar soms pakken ze ook prooien van bladeren of de grond. Hun dieet bestaat voornamelijk uit grotere nachtvlinders, kevers en muggen, maar ook vliegen, libellen en andere insecten. De soort heeft een voorkeur voor gebieden met gevarieerde vegetatie en natuurlijke wateren, zoals moerassen en graslanden, die een belangrijke voedselbron bieden.
Verblijfplaatsen en voortplanting
De laatvlieger zijn in Nederland uitsluitend gebouwbewoners. Ze zijn kritisch en plaatstrouw als het gaat om de verblijfplaats. Ze verhuizen meermaals per jaar tussen verblijfplaatsen. De verblijfplaatsen vormen een compact netwerk van gebouwen die hooguit enkele honderden meters van elkaar liggen. Een gebouw, of een ruimte in een gebouw kan voor meerdere functies binnen het netwerk worden gebruikt.
Laatvliegers verblijven voornamelijk in spleetvormige ruimten, zoals daken en spouwmuren. De plekken waar ze verblijven, hebben vaak een lage luchtvochtigheid en een constante temperatuur. Ook grotere ruimten worden bewoond zoals zolders van kerken en landhuizen, waar ze wegkruipen in nauwe ruimten. Gebouwen met een pannendak, waarbij de gevelpannen aansluiten op het metselwerk van de kopgevel zijn een veel voorkomende verblijfplaats. Bij deze gebouwen staan ruimten in dak in verbinding met de spouwruimte. Voor laatvliegers is een verblijfplaats geschikt als zij binnen hetzelfde gebouw overdag intern kunnen verplaatsen naar de plek die op dat moment het meest optimale (micro)klimaat biedt. Ook woningen met overstekken en appartementencomplexen worden gebruikt als verblijfplaats.
Kraamkolonies maken gebruik van de opgehoopte zonnewarmte in daken en muren, en van warmtebronnen van binnen het gebouw. Kraamkolonies van de laatvlieger worden voornamelijk in woningen en grotere bouwwerken aangetroffen, veelal in spouwmuren, achter betimmeringen, onder daklijsten en dakpannen, of onder het lood rondom schoorstenen. Soms bevinden ze zich ook op zolders.
In de winter zoeken Laatvliegers nauwe en relatief droge plaatsen, zoals spouwmuren, spleten in zolders, oude kelders en soms kieren bij de ingang van grotten. Schuren, boerderijen en oude gebouwen worden ook als verblijfplaatsen gebruikt.
Er zijn momenteel geen vleermuiskasten die bewezen effectief zijn voor de laatvlieger. Deze vleermuizen worden dan ook zelden in vleermuiskasten aangetroffen.
Voedsel
Laatvliegers vangen hun voedsel meestal uit de lucht, maar pakken ook prooien van bladeren of de grond. Ze jagen vooral op grotere insecten zoals nachtvlinders, kevers en muggen. Bloemrijk grasland, groene tuinen en wateren met natuurvriendelijke oevers zijn waardevol jachtgebied voor de laatvlieger. Deze omgevingen trekken veel insecten aan, wat zorgt voor voldoende voedselaanbod. Het creëren van dergelijk leefgebied draagt bij aan het behoud van de soort.
Veiligheid
Laatvliegers maken gebruik van de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en bomenlanen. Het is belangrijk dat er voldoende gelaagdheid en lijnvormige beplanting in de omgeving aanwezig is, en dat de verblijfplaatsen goed aansluiten op deze structuren.
Verbinding
Natuurlijke verbindingen, zoals ecologische corridors tussen bossen, tuinen en wateren, helpen de laatvlieger zich te verspreiden en voedsel te vinden. Het behoud van deze verbindingen is van groot belang voor het voortbestaan van de soort, omdat het migratie vergemakkelijkt en gezonde populaties in stand houdt.