Konijnen houden van zandige bodems, waar ze makkelijk in kunnen graven. Ze zijn opportunistisch en komen voor op braakliggende terreinen en in tuinen, bosranden, houtwallen en duingebieden. Ze leven in zelf gegraven gangen en holen of in oude holen van vossen en dassen. Omdat ze onder de grond wonen, mijden zij vochtige milieus.
Konijnen eten voornamelijk plantdelen die makkelijk te verteren zijn, zoals wortels, scheuten en stengels van grassen, kruiden en jonge bomen.
Ze moeten oppassen voor mensen in de vorm van verkeer en jagers, maar ook voor predatoren zoals, vossen, haviken, wezels, hermelijnen, bunzings en buizerds. Doordat konijnen zo veel vijanden hebben, is het belangrijk dat er voldoende schuilplekken zijn. Deze schuilplekken kunnen bestaan uit struiken, heggen of uit een hoge vegetatie, in een rustige omgeving met voldoende groen. Het territorium kan verschillen in grootte tussen de 0,25 en 6 hectare. Wanneer konijnen zich eenmaal vestigen, zijn zij plaats trouw en bewonen jaarrond hetzelfde gebied.
Checklist leefgebied
Verblijfplaats en voortplanting
Zandige bodems waar holen in worden gegraven.
Verbinding
Aaneengesloten groenverbindingen die grof struweel bevatten.
Voedsel
Eiwitrijk en makkelijk verteerbare plantendelen van kruiden of struiken.
Veiligheid
Holen en dicht struikgewas of hagen om te schuilen.