Huismussen leven graag in de buurt van mensen. Hun nestplaats is doorgaans in of aan een gebouw en voedsel komt bewust of onbewust van mensen. Huismussen eten zaden, granen, insecten, bloemknoppen, brood, bessen, pinda’s en vetbollen. In broedtijd eten ze voornamelijk insecten.
Het leefgebied (habitat) moet bestaan uit een combinatie van plekken voor nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en juveniele huismussen), slaapplekken, voldoende dekking, plekken voor stofbaden en drinkwater. Ontbreekt één van de onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd (meer dan 100m), dan is het gebied niet meer geschikt.
Een huismus leeft graag samen met andere huismussen in een kolonie. Broeden doen ze in een beschaduwde nestkast of dakgoot. Plaats daarom per gebouw minimaal 2 nestkasten of andersoortige verblijfplaatsen, maar liever meer (5 stuks). Plaats ze aan de noord- of oostzijde van het gebouw tussen 3 en 10 meter hoogte.
De huismus ziet liever niet zijn buurman, dus zorg dat de ingangen minimaal 50cm uit elkaar liggen en dat openingen bij voorkeur in verschillende richtingen geplaatst zijn.
Oriëntatie van huismuskasten en nestkasten voor vogels
Hoogte van de plaatsing van de nestkasten voor huismussen en afstand tussen nestkasten
Je kunt het vogelschroot onder de dakpannen verplaatsen, zodat de eerste twee panlatten dienen als broedlocatie voor huismussen. Pas dit op minimaal 5 meter lengte van het dak toe. De hoogte tussen het dakbeschot en de dakpan (bij de bolling) moet minimaal 7,5 centimeter zijn. Deze maatregel is alleen zinvol bij dakpannen waar het dakbeschot toegankelijk is bij de eerste rij dakpannen, bijvoorbeeld bij holle pannen. Om beschadiging van dampfolie te voorkomen, kun je houten platen aanbrengen boven de gootplank.
Wil je als een echte architect voor de dieren de huismusverblijven integreren in de architectuur van het gebouw? Zorg dan dat de binnenmaat van de broedkast minimaal 12,5cm x 12,5cm x 12,5cm (lxbxh) is, maar het mag ook wat groter. De opening heeft een diameter van zo’n 34mm.
Dakranden, gootbetimmering en gevelplaten zijn allemaal geschikte plekken om de huismusverblijven in te integreren. Maak compartimenten met een onderlinge afstand van minimaal een halve meter en zorg voor toegang tot de kast. Hiervoor zijn ook losse entreestenen te koop om te zorgen dat andere dieren het gat niet groter kunnen maken.
Nestplaatsen voor huismussen geïntegreerd in de dakrand
Minimale binnenmaat voor een broedkast van een huismus
Diameter van de invliegopening van een huismuskast
Huismussen gebruiken nestkasten om in te broeden. Er zijn verschillende leveranciers waar deze huismuskasten te koop zijn.
De kasten kunnen ingebouwd worden zodat alleen de opening zichtbaar is, vlak op de gevel of uitstekend waarbij de huismuskast niet volledig is ingebouwd en er een rand ontstaat. Een huismus gebruikt dit randje van de nestkast om gemakkelijk op te landen, voordat ze de broedkast in gaat. De keuze van hoe de nestkast in te bouwen hangt ook af van de beschikbare ruimte in de gevel.
Verschillende manieren om nestkasten in te bouwen
Kolonies vanaf 25 broedparen worden gezien als zelfvoorzienend en kunnen zichzelf in stand houden. Vaak is een projectontwikkeling in stedelijk gebied niet voldoende groot om een complete kolonie te huisvesten. Een kleinere groep (een ‘duurzame populatie’) bestaat uit zo’n 15 paartjes en in totaal 50 of meer individuen. Voor het huisvesten van de broedparen van een duurzame populatie zijn in totaal zo’n 30 nestplaatsen nodig binnen een gebied van 1 hectare (2x het aantal nestkasten t.o.v. het aantal broedparen om voldoende opties te bieden).
Voor uitwisseling en groei van de populatie zijn andere huismussenpopulaties en geschikt leefgebied in de nabijheid belangrijk. Wanneer er al een populatie in de buurt zit, is de kans dat het plangebied sneller gevonden wordt en in gebruik genomen zal worden ook groter.
Aantal broedplaatsen per hectare voor een duurzame populatie huismussen
De huismus gebruikt ’s winters vooral groenblijvende struiken, dichte begroeiing en hagen, zoals meidoornhagen, ligusterhagen en haagbeukhagen met een hoogte van doorgaans 2-3 meter of gevelbegroeiing als plekken om (gezamenlijk) de nacht door te brengen. Plaats ook enkele, solitaire bomen die als slaapplaats kunnen dienen.
Huismussen nemen ook zandbaden (‘stofbaden’). Een zanderig plekje onder de beschutting van struiken zodat het zand droog blijft, mag dus niet ontbreken.
Zorg dat in de directe omgeving (1 à 2 meter) van de broedplaatsen en nestkasten, het water en de zandplekken continu voldoende dekking van minimaal 3 à 4 meter hoog opgaand groen aanwezig is (stekelige struiken, groenblijvende struiken en klimplanten, coniferen (hagen), klimop (klimplanten)). Hoe dichterbij hoe beter. Huismussen houden overigens niet van gebieden waar veel hoge bomen staan.
Het voedsel van volwassen huismussen bestaat voornamelijk uit zaden van grassen en onkruiden, en wordt aangevuld met insecten en hun larven, bessen en bloemknoppen. Voedsel wordt gezocht op plaatsen zonder of met korte vegetatie, zoals wegbermen, erven en tuinen. Essentieel is dat er continu betrouwbare, voedselbronnen beschikbaar zijn en dat bij die voedselbronnen voldoende dekking is in de vorm van struwelen en hagen.
Voor de jongen en de broedperiode moet er voldoende inheems groen en enkele bomen aanwezig zijn als leverancier van eiwitrijk voedsel (kleine zachte insecten, larven, rupsen) voor de jongen. Deze beplanting moet binnen 50 meter van de nestplaats te vinden zijn. Naarmate de jongen in die periode groeien, wordt dit dieet geleidelijk aangevuld met plantaardig voedsel.
Huismussen slikken ook kleine steentjes door om hun voedsel beter te kunnen verteren. Zorg dus dat er ook kleine kiezels of grind in het gebied aanwezig zijn.
Voor veel diersoorten, en dus ook voor de huismus, mag water om te drinken en te badderen niet ontbreken in de omgeving van de verblijfplaatsen. Plaats daarom een waterschaal of realiseer een vijver of poel met aflopende oever.
Huismussen leven in een klein gebied. Zorg dat in de directe omgeving van de broedplaatsen of nestkasten continu voldoende dekking aanwezig is, en dat er altijd voldoende geschikt voedsel, zand, water en potentiële slaapplaatsen binnen 50 tot 100 meter beschikbaar is. Hoe dichterbij hoe beter.
Verbindingen in de omgeving voor de habitat van huismussen