Habitatwensen
De hermelijn is één van de drie kleine marterachtigen. Het is een zeer behendige en opportunistische jager, die ook nog eens goed kan zwemmen en klimmen. Het jagen gebeurt zowel overdag als in de nacht, waar lijnvormige elementen in het landschap de basis zijn voor het jachtgebied.
Veiligheid
De hermelijn staat bekend als een typisch ‘randzone dier’, omdat de soort voorkomt waar de meeste afwisseling in structuur plaatsvindt binnen het landschap. De hermelijn lijkt een voorkeur te hebben voor vochtige terreinen, zoals, veengebieden, perceelranden, uiterwaarden, houtkanten, rietlanden, vochtige bossen. De beschutting en dekking van ruigte, struwelen en heggen, zoom- en oevervegetatie en greppels van belang.
Verblijfplaats en voortplanting
Verblijfplaatsen bestaan uit diverse soorten holen ondergronds of in dichtbegroeide bosranden, houtstapels of steenhopen en schuurtjes of rustige gebouwen. In een territorium bevinden zich 2-10 dagrust-nesten, die afwisselend worden gebruikt.
Voedsel
Per dag eet de hermelijn ongeveer 25% van het lichaamsgewicht, daarom worden prooidieren gevangen zoals muizen, ratten, konijnen, (jonge) hazen en vogels die groter zijn dan de hermelijn. Een gevarieerd landschap met een afwisseling van landschapselementen en geleidelijke overgangen tussen verschillende vegetatietypen is daarom van belang om een leefgebied aan diverse prooidieren te bieden.
Verbinding
Ondanks de grootte van de hermelijn, kan het territorium relatief groot zijn. Het territorium wordt veelal doorkruist door (spoor)wegen of open structuren, met een grote kans op aanrijding of predatie. Voor een veilige verbinding zijn lijnvormige zones met houtwallen, heggen of struwelen en andere hogere vegetatie van belang, tezamen met faunapassages onder infrastructuur door.