Habitatwensen
Wie de hazelworm voor het eerst ziet, zal denken een slang tegen te komen, maar dat klopt niet. De hazelworm is een hagedis zonder poten, oftewel een pootloze hagedis. Aan deze hagedis is daarnaast nog iets anders bijzonders: de vrouwtjes zijn eierlevendbarend. Dit betekent dat de soort geen nest maakt, maar de eieren in de baarmoeder uitbroedt. Na het uitkomen van de eitjes zijn de jonge hazelwormen direct zelfstandig. Het leefgebied bestaat uit enigszins vochtige gebieden met dichte vegetatie. In Nederland komt de hazelworm voor in open bossen, bosranden, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken en is het talrijkst op de heide. In de bebouwde omgeving wordt de soort ook aangetroffen op ruderale plaatsen en zelfs in groene tuinen. Net als andere koudbloedige reptielen zijn kale plekjes in de zon de ideale plek om op te warmen.
Veiligheid
Een hazelworm tegenkomen gebeurt niet zo vaak. Ze leiden een verborgen leven, verstopt in of onder verschillende schuilplaatsen. Vaak verschuilen zij zich onder dicht struweel, ruigtevegetatie, steenhopen, dood hout of strooisel.
Voedsel
Op het menu staan bovenaan regenwormen en naaktslakken. De soort is hier zelfs op aangepast: door hun schuin naar achter geplaatste tanden kunnen ze deze glibberige prooien vangen en opeten. Daarnaast staan ook geleedpotigen zoals spinnen op het menu.
Verbinding
Om de verspreiding van de soort te ondersteunen, is een verbinding zonder onderbrekingen van essentieel belang. De soort is zeer gevoelig voor versnippering van het leefgebied. Per jaar wordt maximaal 500 tot 1000 meter afgelegd. De corridor moet daarom ook kunnen dienen als op zichtzelf staand leefgebied. De minimale breedte is 15 meter, met een afstand van niet meer dan 500 meter. Geschikte corridors zijn aaneengesloten structuren zonder onderbreking door wegen en fietspaden. Houtwallen, struweel, dood hout (stobbenwal) en andere schuilplaatsen vormen samen met open, zanderige of grazige delen de ideale verbinding.