Habitatwensen
De grasmus is een vogelsoort die een voorkeur heeft voor ruigere terreinen, met name pioniersstadia met opslag van struweel en enkele kleine boompjes in combinatie met hogere kruiden hebben de voorkeur. De top van een struik of boompje gebruikt het mannetje als uitvalsbasis en zangpost.
In Nederland is de soort het talrijkst in de duinen, kleinschalig boerenland, randen en open plakken met opslag van bos- en natuurgebieden, taluds en rijk begroeide wegbermen. Ondanks de naam, is de belangrijkste voorwaarde dat het gebied rijk is aan doornige of dichte struwelen. heggen en ruigtekruiden. Het is een trekvogel die tussen augustus en april verblijft in Afrika. Met name de grasmussen die in de ochtend trekken hoppen tussen gebiedjes met struweel uit veiligheid tegen predatie.
De territorium grootte is ongeveer 2.000 tot 5.000 m2, maar is sterk afhankelijk van het aanbod aan struweel en ruigte. In de dichte vegetatie foerageert de grasmus in struikgewas en lage bomen, maar soms ook op open grond. Struiken zoals braam, meidoorn, hondsroos, vuilboom, liguster, vlier, Gelderse roos en lijsterbes hebben een positief effect op de soort.