De gewone pad heeft een voorkeur voor kleinschalige, gevarieerde landschappen en schuwt de mens niet, waardoor hij ook te vinden is in tuinen, parken en ruderale terreinen. Voor de voortplanting maakt de gewone pad gebruik van diverse watertypen, zoals poelen, sloten, meren en vennen. Waterplanten dienen hierbij als eiafzetplek en schuilplaats voor larven en volwassen dieren. Het dieet van de gewone pad bestaat voornamelijk uit ongewervelde dieren, met een voorkeur voor mieren, kevers en insectenlarven.
Voor een geschikt landbiotoop is de aanwezigheid van bosjes en ruigten in het landschap van belang. Deze structuren bieden de padden beschutting en veiligheid tegen predatoren. Daarnaast zijn ononderbroken corridors tussen land- en waterhabitats cruciaal om veilige migratie tijdens de paddentrek te waarborgen. De voortplantingstrek vind plaats tussen februari en april. Tijdens deze trek kunnen veel verkeersslachtoffers vallen, maar op veel plaatsen worden de padden door vrijwilligers geholpen met oversteken. Desondanks is het belangrijk om maatregelen te nemen om verkeerssterfte tijdens migraties te minimaliseren, bijvoorbeeld door het plaatsen van paddenschermen en het aanleggen van tunnels onder wegen.