Vleermuizen maken gebruik van verschillende verblijven en foerageren het liefst dichtbij. Ze jagen binnen een straal van 2-5 kilometer van hun verblijfplaats. Als nachtdieren is het daarbij belangrijk dat er veel donkerte is en dat verlichting niet op hun verblijven en routes schijnt.
Ze navigeren door de lijnen van bomen en water in het landschap. Hun menu bestaat voornamelijk uit vliegende insecten. Vleermuizen jagen in de beschutting van opgaande elementen, boven water en bij grasvelden. Deze structuren zijn dus erg belangrijk voor vleermuizen. Rond verblijfplaatsen moet dus een voldoende beschutte en insectenrijke omgeving (foerageergebied) aanwezig zijn als voedsel voor de vleermuizen.
Vleermuizen maken gebruik van verschillende verblijven. Ze overwinteren in de spouw, in kelders of achter de gevelbetimmering van gebouwen en brengen de zomer door in zomerverblijven.
Vleermuizen kiezen graag een verblijf met de beste klimaatomstandigheden. Realiseer dus meerdere plekken op verschillende windrichtingen met meerdere lagen, en schakel ze wanneer mogelijk aan elkaar om verschillende binnenklimaten te krijgen.
Breng vleermuisverblijven aan tussen de 3 meter (ondergrens) en de 50 meter (bovengrens) hoogte. Plaats ze niet binnen 1 meter boven of naast ramen, en zorg voor een vrije aanvliegroute. Het is verder belangrijk dat de verblijfplaats grenst aan het bestaande of nieuw groen, zodat de plek (interessant) gevonden wordt.
Er zijn verschillende leveranciers van vleermuiskasten die in te bouwen zijn in de gevel. Je kunt zorgen dat enkel de invliegopening zichtbaar is of de vleermuiskast zichtbaar houden in de gevel.
Een gebouw heeft een totale hoeveelheid aan hangoppervlakte voor vleermuizen die ten minste 2% van de netto verliesoppervlakte dichte gevel en dak van het bouwwerk bedraagt, bepaald volgens NTA 8800, met een minimum van 1 m2.
Vleermuiskasten op een bakstenen gevel – Unitura
De tussenspouw kan toegankelijk gemaakt worden voor vleermuizen door een opening in de gevel. Er moet een luchtspouw zijn van minimaal 3 cm. Bij een gladde muur dient een ruwe laag te worden toegevoegd voor grip. Zo wordt de ruimte geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De spouwruimte kan o.a. dienen als kraamverblijfplaats en als winterverblijfplaats voor vleermuizen.
Vleermuisverblijven zijn op veel verschillende plekken in te bouwen. Dit kan bijvoorbeeld in dakranden, onder dakpannen, in een loze spouw bij technische ruimten en balkons, of de loze ruimte in een schoorsteen.
De invliegopening heeft bij voorkeur een opening van tussen de 16 en 20 mm hoog voor de kleinere vleermuissoorten, zoals de gewone dwergvleermuis, en moet een aanvliegplank of ruw oppervlak hebben van minimaal 30 cm hoogte waarop de vleermuis gemakkelijk kan landen. Dit kan ook een ruwe buitengevel zijn. Schakel voor andere soorten een specialist in.
Er kan ook ruimte achter de gevelbetimmering of onder en achter daklijsten gemaakt worden. Gevelbetimmering kun je geschikt maken voor vleermuizen door het creëren van ruimte tussen de buitenmuur en de gevelbetimmering. Gevelbetimmering voor vleermuizen dient minimaal 100 cm breed x 50 cm hoog te zijn. Tussen de gevelbetimmering en buitenmuur dien je 1,5 – 2,5 centimeter ruimte over te laten.
Zorg voor openingen aan de onderzijde van gevelbetimmeringen van minimaal 1,5 bij 2,5 centimeter. Minimaal één zijde van de ruimte achter de betimmering moet van ruw materiaal zijn. Dit kan bijvoorbeeld een bakstenen buitenmuur of kurk zijn. Aanbevolen wordt om aanvullend achter de gevelbetimmering op een aantal plekken horizontale latten te plaatsen. Door de horizontale latten verspringend te plaatsen wordt tocht voorkomen en ontstaan er verschillende binnenklimaten.
1. In dakrand of overstek
2. Achter gevelplaten
3. In technische ruimte
4. In spouwmuren
Vleermuizen paren vaak op dezelfde plekken als de zomerverblijven. Vleermuizen maken wel gebruik van aparte kraamverblijven. Kraamverblijven zijn veelal groter dan de andere verblijven. In de kraamtijd, van half mei tot begin augustus, gebruiken de vrouwtjes vooral de warme plekken, buiten die periode ook koelere verblijfplaatsen. Realiseer dus ook kraamverblijven op meerdere plekken en op verschillende windrichtingen in het plangebied.
Om een populatie dwergvleermuizen voldoende verblijfplekken te bieden in een wijk zijn er zo’n 50-70 zomer/paarverblijfplaatsen, 20 kraamkasten en 3 massa verblijfplaatsen per wijk of gebiedsontwikkeling nodig.
Vleermuizen jagen in de beschutting van opgaande elementen in een groene, bebouwde omgeving, langs kanalen, vaarten, in tuinen en parken met vijvers, tussen boomkruinen, boven open plekken in het bos, langs de bosrand (vooral oude voedselrijke loofbossen), straatlantaarns, in en langs lanen, bomenrijen, houtwallen en grasvelden. Waterpartijen en beschutte oevers zijn daarbij favoriet als jachtgebied. Deze structuren zijn dus erg belangrijk voor vleermuizen. Het menu van vleermuizen bestaat voornamelijk uit muggen, dansmuggen, schietmotten, maar ook haften, gaasvliegen, nachtvlinders en soms ook kevers.
Rond verblijfplaatsen moet een voldoende beschutte en insectenrijke omgeving (foerageergebied) aanwezig zijn als voedsel voor de vleermuizen. Plant binnen het project dus ook inheemse bomen, struiken en bloemrijk grasland waarin insecten voedsel zoeken en zich voortplanten. Zorg vervolgens dat de locatie van de verblijven aansluit bij de vliegroutes en het foerageergebied.
Vleermuizen navigeren door de lijnen van bomen en water in het landschap om verblijfsplekken en foerageergebieden te vinden. Het is belangrijk dat deze verbindingen zo veel mogelijk doorlopen en donker zijn.
Vleermuizen worden snel verstoord door verlichting. De mate waarin het licht de vleermuizen verstoort is afhankelijk van de hoeveelheid licht en de lichtkleur. Verlichting kan ook het gedrag en voortplanting van insecten verstoren, waardoor het voedselaanbod kan afnemen. Uitgangspunt om verstoring door verlichting zo veel mogelijk te beperken is: zo min mogelijk verlichten. Verlicht alleen waar en wanneer het nodig is en schenk aandacht aan de juiste armatuur en lamphoogte, zodat bijvoorbeeld invliegopeningen van verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden donker blijven.