Met zijn blauwe bovenzijde en roestbruine buik is de boomklever een opvallende verschijning in Nederlandse oudere en soortenrijke loofbossen en parken. De zangvogel is perfect aangepast aan het verticale leven op bomen. Hij kan, in tegenstelling tot de boomkruiper, ook met zijn kop naar beneden over de stam lopen.
Verblijfplaats en voortplanting
De boomklever broedt in boomholtes van oude bomen, vaak verlaten spechtenholen, maar ook natuurlijke holtes of geschikte nestkasten worden gebruikt. Uniek aan deze vogel is dat hij te grote nestopeningen verkleint door de randen met klei dicht te smeren, waardoor zijn naam ‘boomklever’ goed van toepassing is. Van oorsprong is de boomklever een echte bosvogel, maar hij komt ook voor in parken en tuinen met voldoende oude bomen met holtes. Speciale boomkleverkasten, waarvan de invliegopening schuin bovenin de zijkant zit, worden ook goed geaccepteerd.
Voedsel
In de zomer eet de boomklever voornamelijk insecten en spinnen die hij uit schors en boomkruinen haalt. In de winter schakelt hij over op zaden en noten, die hij vaak verstopt in boomschors. Loofbomen zoals eiken en beuken zijn belangrijk voor hun voedselvoorziening, en het aanbieden van pinda’s en vetbollen in tuinen kan de soort in de winter ondersteunen.
Veiligheid
Oude bomen en dichte bosranden bieden bescherming tegen roofdieren zoals sperwers en katten. Door verstoring te verminderen en voldoende schuilplekken te behouden, blijft het leefgebied veilig voor de boomklever.
Verbinding
De boomklever verplaatst zich via boomkruinen en vermijdt open landschappen. Aaneengesloten boomgroepen, lanen en groenstroken helpen om leefgebieden met elkaar te verbinden en voorkomen isolatie van populaties.