Het boomblauwtje is een kleine, sierlijke dagvlinder die wijdverspreid voorkomt in Nederland. In tegenstelling tot veel andere blauwtjes, die open graslanden verkiezen, leeft het boomblauwtje vooral in bosranden, tuinen, parken en struweelrijke gebieden. Kenmerkend voor het boomblauwtje is de aanwezigheid van struiken en bomen in het landschap. De soort heeft een voorkeur voor bloemrijke omgevingen met voldoende waardplanten voor de rupsen en nectarbronnen voor de volwassen vlinders. Door de juiste omstandigheden te creëren en versnippering van leefgebied te voorkomen, kan het boomblauwtje zich succesvol handhaven in zowel stedelijke als landelijke gebieden.
Verblijfplaats en voortplanting
Het boomblauwtje komt voor in een verscheidenheid aan biotopen, waaronder tuinen, parken, bosranden en het agrarisch gebied, waar struiken en bomen aanwezig zijn. De vlinder legt haar eitjes op de bloemknoppen van specifieke waardplanten, zoals hulst, sporkehout, klimop, vlinderstruik, struikhei, kornoelje, grote kattenstaart, wegedoorn, kardinaalsmuts en vuilboom. De rups overleeft niet op sneeuwbes, en op bijvoorbeeld blauweregen kan de rups niet volgroeid raken omdat de bloemen te snel afvallen. De rupsen ontwikkelen zich op deze planten en verpoppen in de strooisellaag of in spleten en holtes in de schors, waarna ze als vlinder verschijnen. De pop overwintert en de soort heeft twee generaties per jaar. In het voorjaar worden vooral hulst en sporkehout als waardplanten gebruikt, terwijl in de zomer vooral klimop, grote kattenstaart, struikhei en vlinderstruik belangrijk zijn.
Voedsel
De rupsen van het boomblauwtje voeden zich met de bloemknoppen en jonge bladeren van hun waardplanten. Volwassen boomblauwtjes drinken nectar van bloeiende planten en hebben een voorkeur voor klimop, distels en koninginnenkruid. Klimop is met name een belangrijke voedselbron in het najaar, omdat het laat in het seizoen bloeit en nectar levert op een moment dat weinig andere planten dit nog doen. Een gevarieerde vegetatie met bloeiende planten door het hele seizoen draagt bij aan de overlevingskansen van deze soort.
Veiligheid
Net als andere vlinders heeft het boomblauwtje te maken met natuurlijke vijanden, zoals vogels en spinnen. Struiken en bomen bieden niet alleen voedsel, maar ook beschutting tegen predatie en slechte weersomstandigheden. Door gevarieerde beplanting en structuurrijke vegetatie aan te houden, ontstaan er veilige schuilplekken voor zowel rupsen als volwassen vlinders.
Verbinding
Het boomblauwtje is een mobiele vlinder die baat heeft bij een goed verbonden landschap. Groenstroken, tuinen, parken en bosranden met voldoende waard- en nectarplanten vormen een netwerk waarin de soort zich gemakkelijk kan verspreiden. Als deze elementen te ver uit elkaar liggen, kunnen populaties versnipperen en afnemen. Door de aanleg van groene corridors en het behoud van struikrijke gebieden wordt het leefgebied van het boomblauwtje versterkt.