Bunzing

Mustela putorius

Bunzing

Habitatwensen van de bunzing

De bunzing past zich gemakkelijk aan aan verschillende soorten voedsel en zijn menu verandert afhankelijk van het seizoen en wat er beschikbaar is. Als nachtdieren zijn ze vooral actief tijdens de schemering en de nacht en jagen vaak op muizen, ratten en konijnen. Daarnaast eten ze ook vogels, reptielen, vis, amfibieën, insecten, bessen, en andere vruchten.

De bunzing heeft verschillende opties als het gaat om het vinden van een schuilplaats. Ze maken vaak gebruik van bestaande holen, zoals konijnenholen of holen tussen de wortels van bomen. Daarnaast zijn stapels stenen ook een favoriete locatie voor hen om te schuilen. Wanneer er geen bestaande schuilplaatsen beschikbaar zijn, kan de bunzing ook zijn eigen ondergrondse hol graven in zachte grond, zoals zandgrond.

Het is belangrijk om gedurende het hele jaar voldoende opgaande vegetatie te hebben. Een meer terughoudende benadering van maaien en begrazen, waarbij meer vegetatie wordt behouden, kan beter zijn. Door takken, hout, stobben, maaisel en stenen op hopen in het terrein achter te laten, kan de leefomgeving van de bunzing verbeterd worden.

Checklist

Konijnenholen, stenenstapels, holen tussen wortels van bomen en zelf gegraven holen in zachte grond.

Knaagdieren, vogels, reptielen, vis, amfibieën, insecten, bessen en andere vruchten.

Bossen, velden, rietlanden, veel waterbronnen.

Aaneengesloten groenverbindingen die grof struweel bevatten.

Bronnen: Zoogdiervereniging, WUR, Naturalis

Natuurinclusieve maatregelen voor de egel

Een strook begroeide (openbare) ruimte die gelegen is voor een gebouw en onderhouden wordt door de bewoner of eigenaar van het pand of private tuinen, begroeid met meerjarige inheemse planten en/of houtige gewassen.

Aanplant van hagen, al dan niet ter vervanging van hekwerk of een schutting, met liguster, spaanse aak, zuurbes, hulst, beuk en/of haagbeuk. Of de plaatsing van gaaswerk met inheemse klimplanten, zoals klimop en vuurdoorn. Bij voorkeur een mix van twee of meer plantensoorten.

Om gebieden aan elkaar te verbinden kunnen faunapassages gerealiseerd worden over of onder wegen door. Zorg daarnaast voor openingen tussen tuinen door groene tuinafscheidingen zonder hekwerk of egelpassages in schuttingen.

Aanplanten of behouden van solitaire bomen of clusters inheemse bomen, zoals zomereik, wintereik, linde, berk, wilg, zwarte els, beuk, haagbeuk, veldiep. Of de aanplant van een boomgaard met fruitbomen (appel, kers, peer, pruim en/of walnoot).

Realiseren van een poel of vijver beplant met inheemse oeverplanten: gele lis, moerasandoorn, grote kattenstaart, moerasspirea, echte valeriaan, grote egelskop en inheemse waterplanten: witte waterlelie, gele plomp, watergentiaan, krabbenscheer.

Een cluster van inheemse struiken.

Inzaaien van bloemrijk grasland met inheems bloemenmengsel, grassen met kruidachtige soorten en overblijvende bloeiende vegetatie. Of wanneer er bloemrijk grasland nabij is: niet vooraf inzaaien, maar de natuur in de omgeving haar werk laten doen. Vervolgens overgaan op ecologisch beheer.

Realiseren van ruige groene randen voor een hoogwaardige  groene dooradering van soorten als bijvoet (droog) en riet (nat), waar deze nu van lage ecologische kwaliteit is (bijvoorbeeld gazon).

Realiseren van overhoekjes of stroken ruigten en de natuur in de omgeving haar werk laten doen. Vervolgens overgaan op ecologisch beheer.